9. Dieren zijn materiële wezens

Wie zou een leeuw, een cavia, een tonijn, een bij of een merel kunnen verbeteren? Niemand, toch? Het wonderlijke levensrijk van de dieren blijft ons toch verbazen? Ja, dieren zijn perfect, binnen hun eigen rijk van bestaan: de natuur.
Dieren zijn voor ons mensen een onuitputtelijke bron van kennis, vreugde, plezier en nut. En als we dit dierenrijk goed in beeld krijgen, krijgen we ook beter zicht op ons eigen wezen en functioneren, als mens. Daar is dit hoofdstuk vooral voor bedoeld.

Het dierenrijk is, net als het plantenrijk, een deel van de natuur en daarmee 100% materieel van aard. Want dieren zijn – net als alle dingen – samenstelsels / ‘bouwpakketten’, opgebouwd uit elementen en al hun eigenschappen zijn daarvan het gevolg, hebben we eerder al gezien.
Dè kenmerkende vermogens die in een dier vrijkomen zijn de zintuig-vermogens, waarmee een dier zijn omgeving kan waarnemen en daarop actief reageren. Die vermogens verlenen het dier een grote mate van bewegingsvrijheid in de wereld, vergeleken met de lagere rijken van planten en stenen.

En als we nauwkeuriger kijken naar hoe dieren functioneren blijken zij toch – ondanks al die ogenschijnlijke vrijheid – tegelijkertijd geheel ingekapseld te leven in – en daardoor in feite gevangenen te zijn van – de natuur en hun eigen zintuigen. Want er er spelen in het dierenleven namelijk geen ándere zaken dan de gegevens die ze via die zintuig-vermogens verkrijgen en verwerken. Een dier is daardoor een echt ‘zintuigwezen’.
Wat buiten zijn zintuigvermogens valt, bestáát niet voor een dier.

Nee, wat een dier niet waarneemt (ziet, hoort, ruikt, voelt, proeft) bestaat niet voor hem. Een dier weet bijvoorbeeld niet dat de Aarde rond is, dat het morgenochtend weer licht wordt en hoe dat komt, hoe de regen ontstaat, hoe je een gedicht kunt schrijven of rekenen – dat type kennis is niet ‘materieel’, en daar is gewoon meer voor nodig dan zintuigen.
Nog anders gezegd: een dier neemt alleen de buitenkant van de dingen waar, en reageert daarop (als.., dan…). Maar de achtergronden en verbanden van de gebeurtenissen doorziet een dier niet – het heeft geen weet van de wetten die de natuur – inclusief hemzelf – beheersen.

Als wij mensen naar het dierenrijk kijken, zien we dat hoogste ideaal voor een dier, een gezond en goed functionerend lichaam is. Daar is ook al zijn activiteit gedurende zijn gehele bestaan op gericht.
Een dier is daarmee een 100% biologisch wezen, een levend lichaam. Daarom doet een dier wat zijn lichaam doet, en kan het de grenzen van wat zijn lichaam kan, niet overschrijden. Kort gezegd:
Een dier IS zijn lichaam, en functioneert als verlengstuk van zijn zintuigen.
En zoals we eerder beschreven hebben: dieren hebben ingeboren gedragspatronen en instincten, en ook een zeker geheugen- en leervermogen (als dít, dan dát). Dieren kunnen daarmee reageren op gebeurtenissen die hen overkomen – soms op een complexe manier die zowat ‘slim’ lijkt, denk aan een groep leeuwen of wolven op jacht. En met datzelfde aanleervermogen kunnen dieren trucjes van mensen leren (denk aan onze huisdieren of aan het circus).
Maar toch komen dieren hierbij niet buiten de grenzen van hun zintuig-waarnemingen! Het leervermogen dat in dieren aanwezig is, komt daarom ook niet in de buurt van het allesomvattende, begrijpende, vrije leervermogen van de mens (we komen daar natuurlijk uitgebreid op terug).

Hoe kunnen we een beter beeld krijgen, van hoe een dier toch al die bijzondere gedragingen en reacties vertoont, zonder dat daarachter een ‘omvattend’ begripsvermogen zit? Met deze metafoor, wellicht:

De dierlijke vermogens zijn m.i. in zekere zin te vergelijken met die van een computer.
(Let op: ik zeg niet dat dieren computers zijn, maar dat we hun gedrag kunnen vergelijken met de werking van een computer.) Want kijk: een computer is ook een 100% materieel ‘wezen’ – weliswaar van een veel lagere orde, niet-levend en door ménsen gemaakt. Zo’n  computer functioneert, net als een dier, volledig op basis van ingeprogrammeerde patronen (denk bijvoorbeeld aan complexe computerspellen). En in die programma’s kan precies hetzelfde type geheugen, reactie- en leergedrag worden geïnstalleerd, zoals dieren dat hebben (als dít, dan dát). En met camera’s en sensoren kan zo’n ‘slimme’ computer óók zelfstandig leren reageren op de omgeving, en op andere computers! De lopende ontwikkelingen met bijvoorbeeld robots en zelfstandig functionerende (autonome) apparaten tonen dit aan (er worden al voetbalwedstrijden gehouden tussen teams van vrijlopende robots, en op YouTube kun je robots op vier benen een trap op zien rennen).

En om net als een vis of een kikker, een insect te vangen blijkt eigenlijk betrekkelijk simpel na te bootsen.
Zo is er geen functie of gedrag van een dier dat niet op deze manier kan worden geïmiteerd – weliswaar nu nog niet in dezelfde mate van verfijning, maar dat lijkt een kwestie van tijd. Op alle 5 de zintuig-gebieden hebben wij mensen de dieren nu al ruim ingehaald, denk aan ‘kijken’ (van telescoop tot elektronenmicroscoop), ‘horen’ (van ultra gevoelige microfoons en het bewaren van geluiden) en ‘proeven’ (zoals met onze chemische analyse apparaten). En ook voor
ruiken en tasten zijn dergelijke voorbeelden te vinden.

Nee, misschien zullen we ook wel nooit ontdekken hoe nu precies trekvogels hun weg vinden, of begrijpen hoe het komt dat dieren sommige dingen die (gaan) gebeuren, lijken aan te voelen. Of hoe ze in staat zijn om als een ‘superorganisme’ met vele tegelijk, ogenschijnlijk zeer complexe bouwwerken te maken, denk aan bijen en termieten. 

Maar het principe is helder: dieren zijn hun lichaam en leven volledig IN de materiële wereld – ze zijn er ook (tijdelijk) een deel van.
En als
ze dood gaan – als hun materiële samenstelling verloren gaat – verdwijnen zij, met al hun eigenschappen, dus spoorloos en restloos.

Wellicht ten overvloed, maar toch nog maar weer: het gaat hier in deze tekst niet om dieren omlaag te halen: wie zal het een rozenstruik kwalijk nemen dat die niet kan zingen? Nee, dieren zijn perfect, daar zijn wij mee begonnen.
Het gaat erom duidelijk te maken – door de vergelijking met dieren – dat mensen deels dezelfde eigenschappen hebben en voor een ander deel totaal verschillend zijn en boven de natuur staan, en daarmee een totaal unieke positie innemen.
Dat gaan we zien in de volgende hoofdstukken.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*