14. De mens IS een ziel en HEEFT een lichaam

We weten nu dat de mens twee totaal verschillende typen eigenschappen heeft: geestelijke en materiële – bijvoorbeeld respectievelijk: ‘gelukkig zijn’ en ‘honger hebben’. Daarmee is het duidelijk: de mens is een dubbel wezen!
In onze cultuur en taal komen we dit ook op allerlei manieren tegen, met woorden als: hoofd, hart, ziel, geest, lichaam, enz. Bijvoorbeeld in de uitspraak: ‘De geest is gewillig, maar het vlees is zwak’. Hier komt de klassieke, traditionele strijd tot uitdrukking tussen ‘weten wat goed voor ons is’ (geestelijke eigenschappen) en ‘maar het lichaam eist óók zijn deel!’ We kennen dat thema uit de literatuur, films, boeken, enz.

Maar ook op veel andere manieren weet ieder eigenlijk wel dat geestelijke en lichamelijke eigenschappen heel verschillend zijn. Want: staan mensen die lichamelijk veel presteren, zoals topsporters, er ook om bekend dat ze meer geestelijke capaciteiten hebben dan andere mensen? En ieder kent toch ook wel mensen die lichamelijk gehandicapt zijn, en wiens verstand net zo briljant kan zijn als dat van mensen die in een perfect lichaam behuisd zijn. En we weten heel goed dat mannen en vrouwen alleen door het bezit van een perfect gebouwd lichaam(?) niet altijd en vanzelfsprekend kunnen bogen op een even uitzonderlijk grote persoonlijkheid. Er doen daarover niet voor niets een groot aantal grappen de ronde!

De vraag komt dan op: waar komen die twee verschillende soorten eigenschappen eigenlijk vandaan?
De bron van de materiële eigenschappen van de mens is zijn lichaam, dat is duidelijk. Maar dat kan niet ook de bron zijn van de geestelijke eigenschappen, omdat die nu eenmaal niet materieel zijn. Dat betekent dat er voor die geestelijke eigenschappen een àndere bron moet bestaan, die we zullen moeten omschrijven als: het niet-stoffelijke gedeelte van waaruit de mens leeft.
En dat is precies de definitie die Van Dale’s woordenboek hanteert voor het begrip: ziel!

En daarmee gebruiken we het begrip: ziel (of geest) als de bron van alle geestelijke eigenschappen van de mens, van al die kenmerkende menseigenschappen die eerder beschreven zijn.
We hebben er nu een naam voor, maar wat die ziel nu precies IS weten we eenvoudig niet op basis van onze waarnemingen. Wel duidelijk is dat de ziel de bron is en niet gelijk is aan die eigenschappen: net zoals licht en warmte eigenschappen van de zon zijn, maar niet de zon zelf, zo zijn de geestelijke menseigenschappen afkomstig van de ziel. Ook dit is in feite simpel: als er licht is, moet er een lamp zijn;  als er een vrucht is, moet er een boom zijn.
En: als de mens geestelijke eigenschappen vertoont, zal ‘ie een ziel (geest) moeten zijn.

Daarmee komt nu eindelijk- na 13 eerdere hoofdstukken – de mens in beeld zoals ‘ie werkelijk is:

de mens is een geestelijk wezen:
de mens IS een ziel, en HEEFT een lichaam.

Wat dat betekent? Daarover meer in het vervolg.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*