23. Wat is een mens? Het mensmodel

We zijn een heel eind gekomen, nu.
Met als uitgangspunt: goed ‘kijken’ naar onszelf en naar de wereld waarin we rondlopen, hebben we het wezen van de mens in beeld gekregen. Het mensmodel zoals ik het hier beschrijf is kort samengevat:

1)  De mens is een wel héél speciaal, volstrekt uniek wezen: een combinatie van twee verschillende zijnsvormen: materieel (lichaam) en niet-materieel (geest of ziel).
Dat is zo, omdat we op elk moment constateren dat er twee verschillende typen eigenschappen, lichamelijk en geestelijk,  zichtbaar/merkbaar zijn in het uiterlijk en innerlijk van de mens.

2)  Het lichaam van de mens vertegenwoordigt de meest complexe,  de hoogste materiële bestaansvorm – boven de niveaus van resp. de mineralen/stenen, planten en dieren. ‘Hoger’ komt in de materie niet voor. Het menselijke lichaam omvat en bezit alle eigenschappen van de lagere bestaansniveaus, waarbij zoals we zien, zoogdieren nog het dichtst ‘in de buurt’ komen.
Maar wat het een totaal unieke status geeft is dit: ‘bovenop’ het lichamelijke functioneren, werkt het lichaam duidelijk als een instrument waarmee de geestelijke (‘bovennatuurlijke’) eigenschappen van de mens zich kunnen manifesteren, denk daarbij met name aan het verstand. En via het lichaam kunnen die geestelijke eigenschappen ‘zichtbaar’ en werkzaam worden in de wereld waarin we rondlopen.

3)  De mens ontstaat (via de ouders) in deze materiële wereld: en wel bij de conceptie.
Op dat moment begint daar, door een geheel nieuwe – nooit eerder bestaande – samenstelling van elementen, de ontwikkeling van het lichaam van de nieuwe mens. En op datzelfde moment ontstaat (manifesteert zich, hoe dan ook?) de ziel – gekoppeld aan dat lichaam in wording – als een nog te ontwikkelen geestelijk vermogen.
Door die nieuwe ziel/lichaam-combinatie is er dan een nieuwe mens ontstaan, met zijn eigen ‘ingeboren’ talenten en mogelijkheden, en die nooit eerder heeft bestaan en nooit nog eens precies zo zal bestaan.
Hoewel het wezen van de ziel volstrekt onbekend en geheimzinnig is, zijn de uitwerkingen ervan zonneklaar in het gedrag en de eigenschappen van de mens. De ziel is (moet wel zijn!) de bron van alle (potentiële) geestelijke eigenschappen van de mens, met name: ‘vrij’ bewustzijn, verstand en persoonlijkheid, en nog een heel breed scala van andere typische, geestelijke mens/ziel-eigenschappen, zoals we die hebben leren kennen.

4)  Bij die mens is er dus een gezamenlijk startpunt voor lichaam en ziel. Het lichaam heeft een begrensde levensduur (dat blijkt max. ca. 100 jaar), omdat het nu eenmaal is opgebouwd uit elementen. Want elke materiële samenstelling zal ooit weer uiteenvallen, overeenkomstig de natuurwetten.
Maar diezelfde wetten gelden niet voor de geestelijke kant van de mens: de ziel is niet (kán niet zijn) opgebouwd uit elementen, en daarom is die niet vergankelijk maar noodzakelijkerwijs eeuwig bestaand: want wat niet is opgebouwd kan immers niet vergaan. Eenmaal gestart, eenmaal ‘in het rijk van bestaan gekomen’ kan aan de (geestelijke) ontwikkeling van de ziel – denk weer aan een bewuste persoonlijkheid – geen einde komen.

5)  De Aarde is daarmee dus de kraamkamer van de mens, een soort couveuse. In ieder geval maar een tijdelijke verblijfplaats, en niet zijn tehuis – alleen zijn lichaam komt eruit voort en blijft er achter, vervalt ten slotte terug in de afzonderlijke elementen, en die krijgen dan weer een (andere) functie in de oneindige kringlopen van de natuur.
En mèt dat lichaam verdwijnen alle lichamelijke eigenschappen van de mens restloos en spoorloos. Maar wat niet meer kan vergaan is datgene wat de mens IS: een bewust geestelijk wezen, een ontwikkelde ziel, een persoonlijkheid, een MENS.
Zo gezien is dit leven hier de eerste stageplaats in het leer- en ontwikkelingsproces van ieder mens.

6) De mens IS een ziel en HEEFT een lichaam. Tijdens zijn ‘verblijf’ op Moeder Aarde is de mens een tweezijdig wezen, waarvan in de praktijk de beide kanten: lichamelijk/geestelijk, niet kunnen worden gescheiden (net als de twee kanten van een munt – twee soorten geluid uit één kastje). Dankzij het lichaam kan de ziel van de mens zich uiten en zich ontwikkelen in deze wereld. Het verstand, de essentiële eigenschap van de ziel, vormt daarbij de verbinding, de intermediair tussen ziel en lichaam.
En zo manifesteert de geestelijke ziel zich in de materiële wereld: als de persoonlijkheid, een mens, door wat hij doet en wat hij is. En andersom: alle ervaringen die de mens opdoet ‘in het leven hier’, worden door het verstand terug ‘doorgegeven’ aan de ziel, waardoor de mens als persoonlijkheid zich steeds verder ontwikkelt. Die ziel staat dus via het verstand in voortdurende wisselwerking met het lichaam: heen en weer, in zowel actie en als ervaring.
Het resultaat: unieke, bewuste mensen (persoonlijkheden): bewuste zielen.

7)  Op het moment van overlijden (niet: ‘doodgaan’!) – waarbij het lichaam stopt met functioneren – wordt de ziel als vanzelf ‘ontkoppeld’ van de materiële wereld, omdat nu het lichaam niet langer kan doen waarvoor het gemaakt was: functioneren als een voertuig/drager/ontvanger/doorgever/spiegel van de ziel van de mens in deze wereld.
Eenmaal ‘los’ leeft de ziel voort en ontwikkelt zich in een eeuwigdurend proces verder in haar eigen domein: de zuiver geestelijke wereld(en), waarvan de eigenschappen volstrekt buiten onze waarneming vallen. De Aarde is daarmee behalve couveuse ook een soort ‘doorgeefluik’ van menselijke zielen (wat een beeld!).
Mensen (zielen) zijn daarmee: onsterfelijk, in andere woorden gezegd:
Het begrip ‘dood’ is dus voor mensen niet van toepassing!

Wat een unieke positie en rang, die wij als mensen hebben.
Zijn wij ook inderdaad niet een nog maar half ontdekte mijn vol edelstenen van onschatbare waarde?
En wat een perspectief, wat een perspectief op ons LEVEN!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*